Les opbouw
De Schotse doedelzak
Net als al zijn familieleden heeft de Schotse doedelzak een paar karakteristieke eigenschappen, t.w.:
-
Het geluid gaat aan één stuk door. Het is een instrument met een rustloze muzieksoort, dit in tegenstelling tot bij voorbeeld een piano, gitaar of blokfluit, waar na iedere toon een rust van willekeurige lengte kan worden 'gespeeld'. Bij een doedelzak is er ALTIJD een toon.
-
Omdat er slechts één toonelement ('rietje') aanwezig is, kan er ook maar één toon tegelijk worden gespeeld. De meeste blaasinstrumenten werken zo. Een piano daarentegen heeft een heel groot aantal toonelementen, de snaren met de hamertjes, tot zijn beschikking. Het aantal tonen dat gelijktijdig ter beschikking staat is gelijk aan het aantal toetsen die gelijktijdig kunnen worden aangeslagen.
-
Er kan niet hard of zacht op worden gespeeld: er is maar één volume voor handen (en meestal is dat 'hard'...)
-
De eigenlijke klank wordt gevormd doordat de tonen een akkoord vormen met de continue 'brom'toon op de achtergrond. Deze bromtoon wordt gevormd door de drie pijpen welke op de schouder van de speler rusten. Dit zijn zogenaamde 'bourdon'-pijpen met z.g. Helmholz-resonatoren. De twee buitenste, de tenorpijpen, hebben beide een vaste toonhoogte welke gelijk is aan de helft van de 'lage a'.
De grote is de baspijp en heeft een vaste toonhoogte welke gelijk is aan een kwart van de 'lage a'.
Indien zij goed gestemd zijn vormen zij een akkoord met de speeltoon en geven volheid aan diens klank. Een en ander is hier uitgebeeld: - Het instrument is niet ogenblikkelijk speelklaar zoals een piano, waarbij de klep over het klavier geopend kwordt waarmee het instrument gelijk speelklaar is. De doedelzak moet eerst worden 'opgeblazen' en dat kan enige seconden duren. Als de druk voldoende hoog is, volgt het 'aanslaan' van het instrument, waarbij de tonen van de drie bourdonpijpen hoorbaar worden. Nog iets verder opvoeren van de druk laat ook het rietje een geluid produceren en pas vanaf dát moment kan er een melodie worden gespeeld. Deze werkwijze heeft ook tot gevolg dat er meestal een aantal melodiën (of 'tunes') achter elkaar aan wordt gespeeld: soms twee of drie, maar soms ook wel zeven of meer!
- Zogauw een pianist stopt me thet aanslaan van de toetsen, houdt zijn muziekstuk op. De doedelzak reageert ook hier even wat anders: dat opgeblazen gevoel moet even voldoende afgezakt zijn om op een gepaste wijze te stoppen. Een ware kunst op zich! Ik beheers deze kunst.
Zoals bij ieder instrument gebruikelijk is, wordt eerst een absolute basis gelegd met de houding van het lichaam, het hanteren van het instrument en vervolgens het correct spelen van de toonladder. De Schotse doedelzak is hierop geen uitzondering. Wat wél een verschil is, is dat er ALTIJD wordt geoefend op een oefeninstrument, de 'practice chanter' (spreek uit als préktis tsjanter), hierna afgekort tot PC.
De toonladder beslaat in totaal 9 tonen ('lage g', '(lage) a', 'b', 'c', 'd', 'e', 'f' 'g' en 'hoge a') en aangezien het een zogenaamd 'pentatonisch' instrument is, kunnen we er twee toonverdubbelingen mee bereiken. De gebruikelijke naam voor een toonverdubbeling luidt 'octaaf', maar dat is afgeleid van de achttonige toonladder.
De opbouw van de lessen ziet er als volgt uit:
- Ik begin met het van de tafel oppakken van de PC en het plaatsen van de vingers. Hoe simpel dat ook lijkt, ik laat het aan vijftal keren herhalen, waarbij ik heel erg let op de stand van de schouders, het hoofd, de handen, de vingers op de PC en de druk die zij uitoefenen. Er wordt in het begin nog niet zoveel geblazen, omdat de lipspieren hiertoe nog niet voldoende zijn ontwikkeld. Vervolgens wordt deze oefening herhaald waarbij wél geblazen wordt: de lage 'G' komt hoorbaar en dat is dan ook gelijk de ultieme test of de vingers goed op de gaatjes zitten. Door het toepassen van een geleidelijke gewenningsproces, wordt er heel erg veel aandacht besteed aan het zelfvertrouwen van de leerling.
- Vervolgens worden, al blazend en in een strak ritme, telkens één voor één de vingers zo hoog mogelijk opgetild en ONMIDDELLIJK weer ontspannen, waardoor zij weer terugvallen op de PC. Dit is een basisoefening voor de rest van het leven en deze oefening wordt de 'grace note' oefening genoemd. Erg, erg belangrijk!
-
De volgende stap behelst de toonladder. Beginnend bij de 'lage G' worden er nootvolgorden geleerd waarbij telkens slechts één vinger opgetild moet worden. Dat zijn dan 'lage A' en vervolgens B en weer terug.
Wanneer de 'lage A' wordt gespeeld, kan ook naar de zogenaamde bovenhand worden gegaan en 'E', 'F' en 'hoge G'gespeeld. Deze volgorden vereisen telkens het verplaatsen van slechts één vinger. -
Éérst de gemakkelijke noten en later, als het zelfvertrouwen er is, worden de noten met de meer complexe vingerbewegingen aangeleerd. Uiteindelijk zijn alle tonen aan bod geweest en kan een foutloze toonladder worden gespeeld.
-
Vervolgens wordt er kennis gemaakt met notenreeksen welke niet op de zelfde volgorde als de toonladder zitten. Dit lijkt gemakkelijk, maar in de praktijk blijken hierin toch grote problemen voor te komen. Daarom wordt hieraan ruime aandacht besteed.
-
Vervolgens wordt er kennis gemaakt met lange en korte noten, met gepunt en gehalveerd werk en wordt het maatsysteem besproken.
-
Vanaf nu gaan we een aantal zaken leren welke specifiek te maken hebben met het karakter van de doedelzak en wordt het erg interessant. Want hoe krijgen we het voor elkaar om:
-- nadruk te leggen op de eerste noot in een maat als we het volume niet kunnen vergroten?
-- een ritmische scheiding aan te brengen tussen noten van gelijke hoogte?
-- een halfnoot te spelen als zulke noten niet aanwezig zijn?
Een waarschuwing is hier zeker op zijn plaats:
zonder met mij hierover te overleggen.



